TEST 10: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Mag - aankomende - alle - bang - houden - klopt - naar - papier - schijnt - spreken - tuin - vanaf - weg - weg - zou -

1. něco nesouhlasí / nesedí > er iets niet
2. příští neděli > zondag / komende zondag
3. všechny děti > kinderen
4. mít rád > mogen / van
5. mít strach před > zijn voor
6. od teď / od nynějška > van nu af aan / nu
7. Nemohli jsme jít ven, protože pršelo. > Het regende, daarom konden wij niet buiten gaan.
8. nepromluvit slovo > geen woord
9. jet po cestě / po trase > een volgen
10. vlastně bych měl pracovat > ik eigenlijk moeten werken / ik moet eigenlijk werken
11. slunce svítí > de zon
12. Mohl bych vidět ten pokoj? > ik de kamer zien?
13. pokoj má výhled do zahrady / je situován do zahrady > de kamer kijkt uit op de
14. kousek papíru > een stuk
15. vydat se (na cestu) > op gaan

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!