TEST 8: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Houd - aantrekken - begin - bier - daarmee - dragen - duur - genoeg - glas - heeft - kleingeld - koop - stil - wekken - zes -

1. Děkuji, to stačí. > Dat is genoeg, dank u. / Dat is , dank u wel.
2. na prodej > te
3. začátkem října > oktober
4. obout si boty > zijn schoenen
5. Je třičtvrtě na šest. > Het is kwart voor .
6. Nech to být! > Houd op!
7. Chtěl bych malé / velké pivo. > Ik wil graag een kleintje pils / een groot glas .
8. Ticho! / Buď zticha! > Wees !
9. sklenička vína > een wijn
10. to nepomůže > het geen zin / het wordt niets / het wordt niks
11. Mohl by jste mne zítra ráno vzbudit? > Kunt u mij morgenochtend ?
12. Kolik to stojí? > Wat kost dat? / Hoe is dat? / Hoeveel is het?
13. nosit klobouk > een hoed
14. Drž pusu! / Zavři (zobák)! > je mond!
15. drobné > het

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!