TEST 7: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
aan - daarvoor - dagen - dokter - geen - kerk - makkelijke - meter - overgaan - pas - pijn - reizen - vakantie - voorbeeld - wit -

1. černé na bílém > zwart op
2. přejet / překročit hranici > de grens
3. Přijďte za dva dny! > Komt u over twee terug!
4. dát příklad > een geven
5. jít do kostela > naar de gaan
6. být pět metrů široký > vijf breed zijn
7. za to děkuji Vám > bedank ik U
8. Zavolejte lékaře! > Roept u een .
9. Kde Vás to bolí? > Waar doet het ?
10. lehká práce > een taak
11. nemám u sebe (žádné) peníze > ik heb geld bij me
12. teprve zítra > morgen / niet voor morgen
13. plout na lodi > per boot
14. Co se děje? > Wat is er de hand? / Wat is er mis?
15. strávit prázdniny > de doorbrengen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!