TEST 3: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
afscheid - breken - geklopt - gelijk - hartelijke - juiste - leeftijd - nog - panne - praten - schijfje - tafel - vandaag - vergissing - volwassenen -

1. někdo klepe > er wordt
2. přesný čas > de tijd
3. Můžete mi přinést trochu citronu? > Kunt u mij een citroen brengen?
4. mít nehodu > hebben / pech hebben
5. ode dneška / od dnešního dne > vanaf
6. odejít / odcházet > nemen
7. ve věku ... > op de van
8. ještě se nevrátil > hij is niet terug
9. nemít pravdu > geen hebben
10. zlomit si nohu > een been
11. mluvit nahlas / hlasitě > hard spreken / hard
12. omylem / > bij
13. srdečné pozdravy > groeten
14. prostřít (na) stůl > de dekken
15. Jsme 2 dospělí a 4 děti. > Wij zijn met twee en vier kinderen.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!