TEST 37: español - neerlandés

Drag the word to the blank!
Wie - aanbod - bijzonderheden - gedachten - heerlijk - kerk - loopt - niets - onder - programma - ruimte - straf - toegestaan - wereld - zeeziek -

1. Ésto no conduce a nada > dat leidt tot
2. Caben noventa personas en esta sala > er is voor negentig mensen in de zaal
3. Retener en la memoria > in houden
4. Oferta y demanda > vraag en
5. ¿A quién le toca? / ¿Quién es el siguiente? > volgt?
6. ¿Dónde se halla la iglesia católica / protestante? > Waar is de katholieke / protestantse ?
7. ¿Está permitido traer perros? > Zijn honden ? / Mag je je hond meenemen?
8. Un castigo merecido > een rechtvaardige
9. En el mundo entero > op de hele
10. Entrar en detalles > op ingaan
11. Con la condición de que > voorwaarde dat
12. Transmitir un programa > een uitzenden
13. Ese atleta es el más rápido. > Deze atleet het snelst.
14. Está buenísimo / Delicioso > het smaakt
15. Estar mareado > zijn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!