Language schools: Get 7% off!
LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 95: español - neerlandés
Hartelijk - aan - ander - heeft - heen - huis - morgenochtend - nee - oudere - oversteken - tegen - uitzien - vergeving - zending - ziekenhuis -
1. (Él) es ciego del ojo izquierdo. >
Hij is blind
zijn linkeroog.
2. (Él) me ha hecho daño >
hij
mij pijn gedaan
3. De acá para allá >
en weer / over en weer
4. Debe ir al hospital. >
U moet naar het
.
5. Pedir perdón >
om
vragen / zich verontschuldigen
6. Hemos recibido su envío. >
Wij hebben uw
ontvangen.
7. Tener buen aspecto >
er goed
8. Ser severo con >
strikt zijn
9. Mi hermano mayor >
mijn
broer
10. ¿Puede despertarme mañana? >
Kunt u mij
wekken?
11. Uno tras otro >
de een na de
12. Contestar que no / con un no >
zeggen
13. Los cuartos / Las habitaciones / Las piezas de la casa >
de kamers van het
14. Gracias por este día tan agradable. >
dank voor een erg fijne dag.
15. Atravesar la calle / Ir por la calle >
de straat
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: