TEST 94: español - neerlandés
Drag the word to the blank!
Vorig - aannemen - boot - doet - dokter - gisteravond - kop - lui - oud - ouder - postzegels - praten - tweede - verkeerde - weet -
1. Él tomó el barco y ella el tren. >
Hij ging met de
en zij met de trein.
2. Hablar en voz baja / Hablar bajo >
zacht
/ zacht spreken
3. Pedir un café >
koffie bestellen / een
koffie bestellen
4. Tiene dieciocho años >
ze is achttien jaar
5. Tiene más edad de la que aparenta. >
Zij is
dan ze eruit ziet.
6. ¡Vaya a buscar al médico! >
Haal de
!
7. ¿Dónde le duele? >
Waar
het pijn?
8. ¿Dónde puedo comprar sellos? >
Waar kan ik
kopen?
9. El segundo / La segunda >
de / het
10. Lleve mi equipaje, por favor. >
Wilt u mijn bagage
?
11. Ellos van / (Usted) Va en dirección contraria. >
U loopt de
kant op.
12. No se, si ella tiene un hijo o una hija. >
Ik
niet of zij een zoon of een dochter heeft.
13. No siempre soy tan perezoso. >
Ik ben niet altijd zo
.
14. Estuve quince días allí el año pasado. >
jaar ben ik er twee weken geweest.
15. Ayer por la tarde >
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!