TEST 67: español - neerlandés

Drag the word to the blank!
Hebt - aardig - alleen - benzinepomp - dag - dertig - kanten - net - ongeveer - oosten - oud - uitnodigen - verwarming - wanneer - zulke -

1. (Él) acaba de irse > hij is weggegaan
2. La calefacción no funciona. > De doet het niet.
3. Mi abuelo es viejo pero saludable. > Mijn grootvader is maar gezond.
4. Siga aproximadamente un kilómetro más. > Rijdt u een kilometer door.
5. ¿Dónde puedo encontrar una gasolinera? > Waar kan ik een vinden?
6. ¿Hasta cuándo? > Tot wanneer? / Voor ?
7. ¿Le molesta si fumo? > U er iets tegen dat ik rook?
8. En el este / En el oriente > in het
9. En todos lados > naar alle
10. Completamente solo > helemaal
11. Gracias por este día tan agradable. > Hartelijk dank voor een erg fijne .
12. Treinta metros de ancho > meter breed
13. Eres muy amable > dat is van je
14. Ese tipo de gente > mensen
15. Quisiera invitarle a salir una noche. > Ik zou U graag een avond willen om ergens heen te gaan.

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!