Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo

TEST 66: español - neerlandés
Voor - beters - bezorgd - daar - dag - drie - eten - kamer - kwalijk - leren - leven - ten - voort - warenhuis - zou -

1. ¡Así es la vida! > Zo is het !
2. ¡Dése prisa! > Maakt u !
3. ¡Le pido perdón! > Neemt u mij niet !
4. ¿Dónde hay un almacén grande? > Waar is er een ?
5. ¿Hasta cuándo? > Tot wanneer? / wanneer?
6. Algo mejor / Una cosa mejor > iets
7. Un día / Algún día > op een
8. En parte > gedeeltelijk / dele / deels
9. No sé nada de eso > weet ik niets van
10. Lo siento mucho, pero no tenemos habitaciones libres. > Het spijt me, wij hebben geen vrij.
11. Comer con el tenedor > met een vork
12. Aprender alemán > Duits
13. Preocuparse de > zich zorgen maken over / zijn over
14. Quiero una entrada para esta noche. > Ik graag een kaartje voor vanavond willen hebben.
15. Durante tres años > jaar lang
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: