Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo

TEST 63: español - neerlandés
Betaalt - Hoe - Kunt - beneden - bruin - buiten - doen - eens - geenszins - kleiners - links - makkelijke - moet - oude - trein -

1. (Yo) bajo la escalera > ik ga naar / ik ga de trap af
2. Las personas mayores / Los ancianos > de mensen
3. Acabar por hacer algo > uiteindelijk iets
4. De izquierda a derecha > van naar rechts
5. Tiene que volverse. > U omkeren.
6. ¡Atienda un momento! > Luistert u eens! / Nu moet u luisteren
7. ¡Pueden arreglarme el reloj? > U mijn horloge repareren?
8. ¿Cómo está el tiempo hoy? > is het weer vandaag?
9. ¿Paga ahora o después? > u nu of later?
10. El tren viene con retraso / a su hora. > De heeft een vertraging / is op tijd.
11. Llueve, por eso no pudimos salir. > Het regende, daarom konden wij niet naar gaan.
12. Un trabajo fácil > een taak
13. No ... de ningún modo > in geen geval /
14. Broncearse / Lit.: Ponerse moreno > worden
15. Quiero algo más pequeño. > Ik wil graag iets .
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: