Language schools: Get 7% off!
LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 52: español - neerlandés
Goedendag - aan - avondeten - dokter - drankje - een - genoeg - huis - iets - rondrit - spreken - twee - vier - worden - één -
1. (Él) quiere ser político. >
Hij wil politicus
.
2. La casa se quema >
het
staat in brand
3. Saciarse >
eten / zich verzadigen / zich rond eten
4. Decir la verdad >
de waarheid
5. Cenar >
souperen / het
nuttigen
6. ¡Buenos días! >
Goedemorgen! /
!
7. ¡Tenga, tome ésto! >
Vooruit, pakt U even
!
8. ¿Desea hielo en su bebida? >
Wilt u ijs in uw
?
9. ¿Le molesta si fumo? >
Hebt U er
tegen dat ik rook?
10. Un recorrido por la ciudad >
een
door de stad / een rondleiding door de stad
11. Somos 2 adultos y 4 niños. >
Wij zijn met twee volwassenen en
kinderen.
12. Por favor, pídame un taxi. >
Kunt u voor mij
taxi bellen?
13. Es la una menos 10 >
het is tien voor
14. Estuve quince días allí el año pasado. >
Vorig jaar ben ik er
weken geweest.
15. Tuve una cita con el doctor. >
Ik had een afspraak met de
.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: