Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo

TEST 51: español - neerlandés
Dag - Goedemorgen - Zullen - daarna - dan - examen - heden - het - loopt - meer - morgenochtend - pakt - plaats - slagen - willen -

1. (Él) es más joven que su hermana. > Hij is jonger zijn zus.
2. Mañana por la mañana >
3. Cada vez más > steeds
4. Para mi una ensalada mixta sin tomate. > Ik zou graag een gemengde salade zonder tomaten .
5. Hasta hoy > tot op
6. Mi prueba /examen es mañana. > Mijn is morgen.
7. ¡Comprendo! > Ik begrijp !
8. ¡Hasta luego, hasta pronto! > , tot later!
9. ¡Tenga, tome ésto! > Vooruit, U even aan!
10. ¿Vamos al zoológico o al museo? > wij naar de dierentuin of naar het museum gaan?
11. El reloj funciona mal / no anda bien > het horloge niet goed
12. En primer lugar > in de eerste
13. Inmediatamente después > meteen
14. Aprobar un examen > voor een examen
15. Buenos días, ¿ha dormido (usted) bien? > , hebt U goed geslapen?
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: