Language schools: Get 7% off!
LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 45: español - neerlandés
aan - avond - eind - herinner - jas - keer - kwaad - op - pikken - repareren - stoppen - trouwen - viool - wilt - worden -
1. A finales de mayo >
mei
2. A orillas del mar >
zee
3. Me acuerdo que / Recuerdo que >
ik
me, dat
4. He oído que te casas. >
Ik heb gehoord, dat je gaat
.
5. ¡Pueden arreglarme el reloj? >
Kunt U mijn horloge
?
6. ¿Qué desea usted? >
Wat
u?
7. Llevar un abrigo >
een
dragen
8. Ellos van / (Usted) Va en dirección contraria. >
U loopt de verkeerde kant
.
9. No hace daño >
dat geeft niets / dat kan geen
10. Tocar el violín >
spelen
11. Mojarse >
nat
12. Ir al cine >
naar de bioscoop gaan / een bioscoopje
13. Tres por tres son nueve >
drie maal drie is negen / drie
drie is negen
14. Está prohibido detenerse >
het is verboden te
15. Quisiera invitarle a salir una noche. >
Ik zou U graag een
willen uitnodigen om ergens heen te gaan.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: