TEST 41: español - neerlandés

Drag the word to the blank!
Geboorteplaats - Inderdaad - Wanneer - andere - bed - bij - geboren - kijkt - morgen - overblijven - toespraak - verstaan - waarheid - wassen - welke -

1. (Él) vive en mi casa > hij woont mij
2. Dar un discurso sobre > een rede houden over / een houden over
3. Decir la verdad > de spreken
4. ¡Exacto! / ¡Eso es! > Juist! / !
5. ¿A qué hora sale el próximo tren hacia ... ? > gaat de volgende trein naar ... ?
6. ¿Dónde nació usted? > Waar bent u ?
7. ¿Por qué razón? / ¿Por qué motivo? > Om reden? / Waarom?
8. El cuarto da al jardín > de kamer uit op de tuin
9. Un momento, por favor. No le puedo oír. > Ogenblikje. Ik kan U niet goed .
10. Yo también me acuesto muy tarde. > Ik ga ook erg laat naar .
11. Es posible desayunar por las mañanas? > Kan ik iedere ontbijt krijgen?
12. Eso está al otro lado de la ciudad. > Dat is aan de kant van de stad.
13. Estar de más / Sobrar > / resteren
14. Lugar y día de nacimiento > en -datum
15. Quiero lavarme las manos. > Ik wil graag mijn handen .

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!