Language schools: Get 7% off!
LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 38: español - neerlandés
aan - erg - eten - familie - geloof - heen - komende - nemen - onder - rechtstreeks - ver - vervoeren - zes - zien - zorgen -
1. (Él) pasó delante de mí >
hij liep langs mij
/ hij lette niet op mij
2. Hacer fotos >
foto's
/ foto's maken
3. Hay quince grados bajo cero >
het is vijftien graden
nul
4. Me gustaría comer algo ligero. >
Ik wil graag iets lichts
.
5. Media docena son seis. >
Een half dozijn is
.
6. ¡Con toda calma! / ¡Con mucha calma! >
Rustig aan! / Kalm
!
7. ¿Falta mucho? >
Is het nog
?
8. ¿Por esta carretera se va a la ciudad? >
Leidt deze straat
naar de stad?
9. ¿Puedo ver el cuarto libre, por favor? >
Mag ik de leegstaande kamer
?
10. El domingo que viene >
aankomende zondag /
zondag
11. Llevar al hospital / Hospitalizar >
naar het ziekenhuis brengen /
12. No creo nada de éso >
ik
er geen woord van
13. Somos parientes / Estamos emparentados >
wij zijn verwant / wij zijn
14. Gracias por este día tan agradable. >
Hartelijk dank voor een
fijne dag.
15. Preocuparse de >
zich
maken over / bezorgd zijn over
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: