TEST 32: español - neerlandés

Drag the word to the blank!
aardig - daarmee - dressing - eerste - grootvader - leren - nooit - openen - pas - probleem - taal - wachten - wereld - worden - zou -

1. Nacer > geboren
2. Me gustaría tomar una ensalada con aceite y limón. > Ik wil graag salade met een van olie en citroen.
3. Recién ayer / No hasta ayer > gisteren
4. Mi abuelo tiene noventa (años). > Mijn is negentig.
5. Tiene que esperar. > U moet even wachten. / U zult moeten .
6. ¡Abrir por aquí! > Hier !
7. Sin dificuldad / Sin inconveniente > zonder
8. ¿Qué quiere usted decir con eso? > Wat wilt u zeggen?
9. El mundo entero > de hele
10. El primero de mes > op de van de maand
11. Yo debería trabajar > ik eigenlijk moeten werken / ik moet eigenlijk werken
12. Aprender a leer > lezen
13. Aprender una lengua > een leren
14. Es muy amable de su parte > dat is erg vriendelijk van u / dat is erg van u
15. Nunca he estado en el extranjero. > Ik ben in het buitenland geweest.

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!