Language schools: Get 7% off!
LISA! Viajes de idiomas
Una selección de las
mejores escuelas del mundo
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 28: español - neerlandés
Vaarwel - anders - gaat - geboren - komt - kwijt - lette - medicijn - mijn - parkeren - verte - water - werk - zenden - zitten -
1. A lo lejos >
in de
2. (Él) pasó delante de mí >
hij liep langs mij heen / hij
niet op mij
3. Mandar por correo >
per post
/ per post sturen
4. Me toca a mí >
ik ben aan de beurt / het is
beurt
5. ¡Adiós! >
!
6. ¡Siéntese! >
Neemt u plaats! / Gaat u
!
7. ¿Cuándo nació usted? >
Wanneer bent u
?
8. ¿Dónde puedo aparcar / estacionar? >
Waar kan ik
?
9. El libro se ha perdido / ya no está >
het boek is
10. El sol sale >
de zon
op
11. Lleno de agua >
(geheel) gevuld met
12. Tomar su medicina / Tomar su remedio >
zijn
innemen
13. Trabajo / Buscar un puesto (plaza) >
zoeken
14. Otro >
een ander / iemand
15. Sucede que ... >
het gebeurt wel eens dat / het
wel eens voor dat
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: