TEST 90: Nederlands - Spaans
Drag the word to the blank!
¿Por - Con - Debo - Deme - cuesta - demasiado - fútbol - importante - lengua - los - para - quieren - repente - salido - terrible -
1. Wat kost dat? / Hoe duur is dat? / Hoeveel is het? >
¿Cuánto
? / ¿Cuánto vale?
2. De sleutel van kamer ... alstublieft. >
la llave de la habitación ..., por favor.
3. De sokken zijn te lang / kort. >
Los calcetines son
largos / cortos.
4. Leidt deze straat rechtstreeks naar de stad? >
esta carretera se va a la ciudad?
5. een taal spreken >
Hablar una
6. met eigen ogen >
mis propios ojos
7. het is enorm belangrijk voor mij >
Es
8. zij houden van elkaar / ze houden van elkaar >
Se
/ Se aman
9. zijn schoenen poetsen >
Limpiar
zapatos
10. Ik ben gisteren langs gekomen, maar toen was U niet thuis. >
Vine a visitarle ayer, pero había
/ pero no estaba en casa.
11. Ik heb vreselijke kiespijn. >
Tengo un dolor de muelas
.
12. ik moet gaan >
Tengo que irme /
irme
13. Alleen leden! >
Sólo
socios.
14. voetballen >
Jugar al
15. opeens / plotseling >
A la vez / De una vez / De
/ De pronto
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!