TEST 46: Nederlands - Spaans

Drag the word to the blank!
¡Abrir - ¡No - ¿Puedo - Hacer - París - delante - dieciocho - divierte - enseguida - este - estoy - mediodía - necesita - puedes - tareas -

1. z'n huiswerk maken > Hacer sus deberes /
2. Mag ik hier parkeren? > aparcar / estacionar aquí?
3. van voren / van voren af aan > Por / De nuevo
4. Dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien. > Trece, catorce, quince, dieciséis, diecisiete, .
5. Hier openen! > por aquí!
6. hij heeft geld nodig > (Él) dinero
7. ik ben een andere mening toegedaan / ik heb een andere mening > No de acuerdo con usted
8. Ik kan niet begrijpen, hoe je zo lang kunt slapen. > No comprendo cómo dormir tanto.
9. Ik kom zo! > ¡Ya voy! / ¡No tardaré en venir! / ¡Vengo (am.)!
10. ik vind het leuk / ik heb er plezier in > Me / Me gusta
11. Doe geen domme dingen! / Doe niet zo stom! > hagas bobadas / tonterías!
12. morgenmiddag > Mañana al
13. foto's nemen / foto's maken > fotos
14. op dit moment / op dit ogenblik > En momento / Ahora mismo
15. Zullen we naar Rome of naar Parijs gaan? > ¿Viajamos hacia Roma o ?

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!