Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 35: Nederlands - Spaans
¡Así - ¿Tiene - Quedarse - algo - brilla - buen - dice - gran - mesa - noche - otra - pagar - radioemisora - suficiente - visita -
1. Aan tafel, alstublieft! / Het eten is klaar! >
¡A la
, por favor!
2. vannacht >
Esta
3. Pardon? >
¿Cómo
?
4. dat is een andere vraag >
Éso es
cuestión
5. de zon schijnt >
Hay sol / Hace sol (am.) / El sol
6. een groot verschil / een groot onderscheid >
Una
diferencia
7. het is mooi weer / het is lekker weer >
Hace / Hay
tiempo
8. Zit er zout in? >
sal?
9. Ik heb niet genoeg contant geld. >
No tengo
dinero en efectivo.
10. Ik wil graag iets groters. >
Quiero
más grande.
11. in slaap gevallen zijn >
dormido
12. Zo is het leven! >
es la vida!
13. Moet ik de kamer vooruit betalen? >
¿Tengo que
adelantado por el cuarto?
14. Zoudt U ons een bezoek willen brengen? >
¿Le gustaría hacernos una
?
15. op de radio >
En la radio / En la
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: