Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 27: Nederlands - Spaans
¡Adiós - Esto - casa - clase - cualquier - ducha - ojos - otros - paciencia - programa - sale - sellos - suerte - todos - veces -

1. Vaarwel! > !
2. Wanneer gaat de volgende trein naar ... ? > ¿A qué hora el próximo tren hacia ... ?
3. dat doet goed > sienta bien / Eso hace bien
4. de anderen > Los
5. De zending was laat. > El se transmitió tarde.
6. geluk brengen > Traer
7. een beetje geduld > Un poco de
8. Zijn ogen zijn donkerbruin. > Sus son marrón oscuro.
9. Ik ben gisteren langs gekomen, maar toen was U niet thuis. > Vine a visitarle ayer, pero había salido / pero no estaba en .
10. Ik reis graag eerste klas. > Me gusta viajar en primera .
11. Ik wil graag een eenpersoonskamer met douche. > Quisiera una habitación individual con .
12. in ieder geval > En todo caso / En caso
13. Hoeveel keer? > ¿Cuántas ?
14. postzegels verzamelen > Coleccionar / estampillas
15. Er is genoeg eten voor iedereen. > Hay suficiente comida para .
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: