TEST 2: Nederlands - Spaans

Drag the word to the blank!
Érase - Berlín - Seis - almorzar - catorce - extranjero - favor - frontera - huevo - puro - que - rato - sol - vale - voz -

1. na een tijd / na een poosje > Poco tiempo después / Después de un
2. Ja, zeker! > ¡Claro sí!
3. vandaag is het de veertiende > Hoy estamos a
4. hardop lezen > Leer en alta
5. dat is niet veel waard > No mucho
6. de grens overgaan > Pasar la
7. de zon gaat onder > El se pone
8. een ei koken / een eitje koken > Cocer un
9. een sigaar opsteken > Encender un
10. zes min twee is vier > menos dos son cuatro
11. hij studeert in Berlijn > (Él) estudia en
12. in het buitenland > En el
13. er was eens > una vez
14. lunchen > A / A comer
15. Kunt u mijn schoenen poetsen? > Limpie mis zapatos, por .

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!