Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 21: Nederlands - Portugees
Maio - beber - café - coisa - dar - entrou - estou - exacta - fazer - grande - mostrar - noite - posso - veio - virar -

1. U bent de verkeerde straat in gereden. > O senhor na rua errada.
2. Waar kan ik een benzinepomp vinden? > Onde achar um posto de gasolina?
3. de juiste tijd > a hora
4. de weg wijzen > o caminho
5. Verder nog iets? / Anders nog? > Mais alguma ? / Que mais?
6. het komt wel goed > vai resultar / (Bras.: ) vai certo
7. hij kwam als laatste > ele por último / finalmente
8. Wilt u een klein of een groot glas bier? > Deseja um copo de cerveja ou pequeno?
9. links afslaan > à esquerda / (Bras.: ) dobrar a esquerda
10. uit het kopje drinken > por uma xícara / chavena
11. ik ben een andere mening toegedaan / ik heb een andere mening > não de acordo / sou de outra opinião
12. Ik zou graag een kaartje voor vanavond willen hebben. > Eu queria um bilhete para esta .
13. in mei > no mês de
14. koffie zetten > fazer
15. examen doen > um exame
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: