TEST 88: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Deres - Hvad - beskæftige - formue - hvis - højre - meget - sent - sent - stadig - står - tage - uden - var - vejret -

1. U moet de straat na de kiosk inslaan. > Drej til efter aviskiosken.
2. laat in de middag / in de late namiddag > om eftermiddagen
3. dat kan wel waar zijn > det kan vel stemme
4. Wat vind u daarvan? > mener De / du om det?
5. je pak aantrekken > habitten på
6. De prijzen zijn exclusief verpakking. > Priserne er emballage.
7. Belt u mij als er zich problemen voordoen. > Ring til mig, der er problemer.
8. een vermogen verdienen > tjene en
9. Verderop staat een wegwijzer / een bord. > Længere fremme et vejskilt.
10. het is laat > det er
11. zich met iets bezig houden > sig med noget
12. Ik heb uw zending ontvangen. > Jeg har modtaget forsendelse.
13. alles was voor niets > alt forgæves
14. omhooggooien > kaste op i
15. Is er nog plaats voor twee tenten? > Har De plads til to telte?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!