TEST 87: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Har - Parkeringstiden - alt - bryde - galt - generer - gåde - lære - mene - modersmål - nogen - præcis - sine - til - venlig -

1. U moet de straat na de kiosk inslaan. > Drej højre efter aviskiosken.
2. Wat is er met hem aan de hand? > Hvad er der med ham?
3. dat is me een raadsel > det er mig en
4. De parkeertijd is verlopen. > er udløbet.
5. Hebt U een boekje met de tijden van vertrek en aankomst? > Har du brochure med afgangs- og ankomsttider?
6. Hebt u gekookte groente? > De kogte grøntsager?
7. een ambacht leren > et håndværk
8. het nodig achten / het noodzakelijk achten > det er nødvendigt
9. zijn vingers branden > brænde fingre
10. Ik kan alleen mijn moedertaal verstaan. > Jeg forstår kun mit .
11. klokslag vijf / klokslag vijf uur / om vijf uur precies > kl. 5
12. in tranen uitbarsten > ud i tårer
13. er is niets veranderd > forbliver ved det gamle
14. Kunt u mij alstublieft het zout aangeven > Vil De / du være at række mig saltet!
15. Uw auto houdt het verkeer op. > Deres / Din bil trafikken.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!