TEST 85: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Har - fordel - forskud - frem - ikke - ikke - intet - mennesker - notere - oliestanden - par - tak - vogter - weekenden - æg -

1. Raakt U de gewonde niet aan! > Flyt den tilskadekomne!
2. Pas op voor de hond! > Forsigtig, her jeg!
3. schrijft u eens een briefje / schrijft u toch een paar regels > skriv et linjer
4. De remmen doen het niet goed. / De remmen werken niet goed. > Bremserne fungerer rigtigt.
5. de rest van de mensen / de overige mensen > de øvrige
6. Hebt u een vertaling van dit boek? > De / du en oversættelse af denne bog?
7. het weekend doorbrengen > tilbringe
8. niets aan te geven > at fortolde
9. Wilt U dit voor me inpakken, alstublieft? > Vil du pakke dette ind til mig, !
10. Wilt u het oliepeil ook controleren? > Vil De / du tjekke ?
11. Ik wil graag twee roereieren. > Jeg vil gerne have røræg af to .
12. in gedachten houden > huske / sig
13. voor alles > for alt
14. voordeel hebben van > have af
15. vooruit / vooraf / bij voorbaat > på forhånd / på

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!