TEST 72: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
banker - bestiller - campingplads - det - giver - holde - løfte - løse - opretholde - regn - straffes - strøm - takker - udenad - velkommen -

1. Waar is het dichtstbijzijnde kampeerterrein? > Hvor findes nærmeste ?
2. Waarmee werkt U? > Hvad du?
3. Dank u voor uw belangstelling. > Vi for Deres forespørgsel.
4. de elektrische stroom > den elektriske
5. welkom heten > byde
6. een eind maken aan > op med
7. een kaartje kopen > en entrebillet
8. het ziet eruit, of we regen krijgen > det ser ud som om, det vil regne / det ser ud til
9. Betaalt men voor kinderen halve prijs? > Er halv billetpris for børn?
10. zijn belofte houden > holde sit
11. uit het hoofd leren > lære
12. Ik krijg hoofdpijn van het lawaai. > Larmen mig hovedpine.
13. Ik vraag mij af, wie er zo vroeg op de deur klopt. > Jeg gad vide, hvem der på døren så tidligt om morgenen.
14. in contact blijven met > forbindelsen med
15. Overtreding wordt gestraft. > Overtrædelse efter loven.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!