TEST 59: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Hun - efter - for - forventer - kæmpede - lykke - med - nøglen - ser - stoppet - tjeneste - tændstik - underskrive - valg - vil -

1. van buiten / uit het hoofd > hukommelsen / udenad
2. handel drijven met > drive handel
3. Wat kan ik voor u doen? / Waarmee kan ik u van dienst zijn? > Kan jeg hjælpe? / Hvormed kan jeg stå til ?
4. Wat zijn Uw salariseisen? > Hvor meget du i løn?
5. de sleutel in de deur / in het slot laten zitten > lade sidde
6. De wasbak is verstopt. > Vasken er .
7. iemand geluk wensen > ønske én held og
8. een lucifer aansteken > tænde en
9. een verdrag sluiten > indgå en kontrakt /
10. Zij heeft een zachte huid. > har sart hud.
11. Hij ziet er intellectueel uit met zijn bril. > Han intellektuel ud med briller.
12. Mijn grootvader heeft in de oorlog gevochten. > Min bedstefar i krigen.
13. ik heb geen keus > jeg har ikke noget
14. Ik wil graag een pleister. > Jeg gerne have et plaster.
15. Is het mogelijk om zelf te koken? > Er der mulighed selv at lave mad?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!