TEST 35: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Hvis - Vil - fald - gebyret - ham - hælde - lukker - løse - måde - priserne - traf - udløbet - vil - vinduet - øjne -

1. Wat is de bijdrage per persoon? > Hvor høj er afgiften / pr. person?
2. dat is echt iets voor hem > det ligner
3. De parkeertijd is verlopen. > Parkeringstiden er .
4. de prijzen stijgen > stiger
5. een opgave oplossen / een vraagstuk oplossen > en opgave
6. Wiens schuld is het? > fejl er det? / Hvem har skylden?
7. bij gelegenheid / eventueel > eventuelt / i givet
8. hij loopt naar het raam / hij gaat naar het raam > han træder hen til
9. ik heb hem thuis aangetroffen > jeg ham hjemme
10. slechte ogen hebben / slecht zien > se dårligt / have dårlige
11. in een glas schenken > op i et glas / skænke op i et glas
12. Hoe laat gaan de banken open? / Hoe laat sluiten de banken? > Hvornår åbner / bankerne
13. op zijn manier > på hans
14. Kunt u de auto repareren? > De / du reparere bilen?
15. Kunt u mij de wijnkaart brengen? > Jeg gerne have vinkortet.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!