TEST 28: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
alvorligt - bøde - din - eventuelt - følge - habit - har - inden - skal - skriv - stedet - stille - tabe - tal - ved -

1. U moet invoerrechten betalen. > De betale told.
2. Wat is uw specialiteit? > Hvad er Deres / specialitet?
3. schrijft u eens een briefje / schrijft u toch een paar regels > et par linjer
4. de moed laten zakken / verliezen > modet
5. een boete betalen > betale en
6. Niemand is ernstig gewond. > Ingen er kvæstede.
7. bij gelegenheid / eventueel > / i givet fald
8. Wij hebben vakantie gehouden aan de kust. > Vi har holdt ferie kysten.
9. dit pak zit goed > denne sidder godt
10. ik zal zijn raad opvolgen > jeg vil hans råd
11. in groten getale > i stort
12. in plaats van > i for
13. Op ... heb ik een bestelling bij u gedaan. > Jeg den ... afgivet en bestlling / ordre til Dem.
14. spoedig / binnen afzienbare tijd > længe
15. er heerst stilte > der er

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!