TEST 19: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Deres - aftale - besluttet - bilen - døren - hjørne - milde - mørk - nærmeste - ret - skal - tror - tåget - vegne - åbner -

1. O hemel! / Mijn God! > Min Gud! / Du himmel!
2. Waar is het dichtstbijzijnde metrostation? > Hvor ligger den tunnelbanestation?
3. de wagen duwen / de auto duwen > skubbe
4. een afspraak maken met > lave en med
5. een donkere huid hebben > have hud
6. het is mistig / het mist > det er
7. het recht hebben om > have til
8. bij iedere stap / overal waar men gaat en staat > alle / altid / hele tiden
9. Wilt u mij zeggen wanneer ik moet uitstappen? > Kan De / du sige mig, hvornår jeg stå af.
10. ik heb besloten > jeg har mig
11. Ik vraag mij af, wie er zo vroeg op de deur klopt. > Jeg gad vide, hvem der banker på så tidligt om morgenen.
12. in de hoek zetten > stille i et
13. Hoe laat gaan de banken open? / Hoe laat sluiten de banken? > Hvornår / lukker bankerne
14. Hoe oud ben ik denkt U? > Hvor gammel du jeg er?
15. Uw auto houdt het verkeer op. > / Din bil generer trafikken.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!