TEST 100: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Gul - aften - angår - børste - denne - frimærker - kaffe - maj - medlem - penge - spille - spørger - taxa - vej - venlig -

1. dat gaat je niks aan / dat is jouw zaak niet > det ikke dig
2. dat vraag ik jou > det jeg dig om
3. Heeft u een ziektekostenverzekering? > Er De / du af en sygekasse?
4. Leidt deze straat rechtstreeks naar de stad? > Fører vej direkte ind i byen?
5. een weg volgen > køre en
6. hij heeft geld nodig > han har brug for
7. zijn tanden poetsen > sine tænder
8. wilt u zo vriendelijk zijn > vil De / du være så
9. ik drink liever koffie > jeg vil hellere have
10. Ik nam een taxi naar mijn hotel. > Jeg tog en til mit hotel.
11. Ik zou U graag een avond willen uitnodigen om ergens heen te gaan. > Jeg vil gerne byde dig ud en .
12. in mei > i måned
13. voetballen > fodbold
14. postzegels verzamelen > samle på
15. Bruin. Roze. Paars. Geel. > Brun. Lyserød. Violet. .

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!