TEST 98: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Hun - cigaretter - enig - fremad - fremskidt - ham - igen - ild - noget - noget - sengen - stige - stykke - vejr - øjeblik -

1. U moet drie dagen bed houden. > Bliv i i tre dage.
2. naar voren >
3. een pakje sigaretten > en pakke
4. het vuur aansteken / een vuur aanmaken > tænde / tænde op
5. Zij heeft een taxi gehuurd. > hyrede en taxa.
6. bij slecht weer > ved dårligt
7. uit de auto stappen > ud af bilen
8. ik ben het met u eens > jeg er
9. Ik wil graag iets groters. > Jeg vil gerne have større.
10. Ik wil graag iets lichts eten. > Jeg vil gerne have let at spise.
11. Blijft u aan de lijn! > Vent et !
12. In drie maanden moet u het land weer verlaten. > De skal rejse ud om 3 måneder.
13. doet u hem de groeten van mij > hils fra mig
14. nog een brood > et brød mere
15. vooruitgang boeken > gøre

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!