TEST 96: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Kør - begge - citron - havet - høre - læge - mit - måltiderne - nogle - plads - sang - sejle - stor - temmelig - tidligt -

1. naar de radio luisteren > radio
2. Gaat u zitten! / Neemt u plaats, alstublieft! > Værsgod at tage !
3. aan zee > ved
4. heel goed / tamelijk goed / niet slecht > ganske godt / godt / ikke dårligt
5. een beetje geld / wat geld > penge
6. een groot verschil / een groot onderscheid > en forskel
7. een lied zingen > synge en
8. per boot reizen > med skibet
9. Rijdt u ongeveer een kilometer door. > ca. en kilometer længere.
10. mijn horloge loopt voor > ur går for hurtigt
11. Ik wil graag salade met een dressing van olie en citroen. > Jeg vil gerne have en salat tilberedt med olie og .
12. allebei > to
13. Roept u een dokter. > Ring efter en !
14. voor / tijdens / na de maaltijden > før / under / efter
15. vroeg opstaan > stå op i god tid / stå op

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!