TEST 86: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
banker - dette - hård - imod - kigge - kører - lyst - oversætte - par - pudse - sige - spise - tid - toget - ved -

1. Hebt U er iets tegen dat ik rook? > Har du noget , at jeg ryger?
2. geen woord spreken > ikke en lyd
3. een harde man > en mand
4. een paar schoenen > et sko
5. genoeg eten / zich verzadigen / zich rond eten > sig mæt
6. het wordt licht / de dag breekt aan > det bliver
7. Hij ging met de boot en zij met de trein. > Han tog båden, og hun tog .
8. bij slecht weer > dårligt vejr
9. tijd verliezen / tijd verspillen > spilde sin
10. uit het raam kijken > ud af vinduet
11. Ik vertrek morgen vroeg. > Jeg i morgen tidlig.
12. in het Duits vertalen > til tysk
13. er wordt geklopt > det
14. Is deze tafel vrij? > Er bord optaget?
15. Kunt u mijn schoenen poetsen? > Vær venlig at mine sko.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!