TEST 56: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Hent - Kære - betydning - bor - dårlig - fordi - fremmed - født - gange - komme - mindre - museum - rettidigt - ses - sidste -

1. Haal de dokter! > lægen!
2. Waar bent u geboren? > Hvor er De / du ?
3. Waarde X! / Beste meneer X, / Geachte heer X, > hr. X
4. De trein heeft een vertraging / is op tijd. > Toget er forsinket / .
5. de trein missen > forsent til toget
6. belangrijk > vigtig / af
7. een paar keer / een paar maal / enkele malen > et par
8. Het regende, daarom konden wij niet naar buiten gaan. > Vi kunne ikke gå ud det regnede.
9. afgelopen zondag > søndag
10. hij woont bij mij > han hos mig
11. ik ben hier niet bekend > jeg er her
12. Ik wil graag iets kleiners. > Jeg vil gerne have noget .
13. Tot gauw! > Vi !
14. er slecht uitzien > se ud
15. Zullen wij naar de dierentuin of naar het museum gaan? > Skal vi gå i zoo eller på ?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!