TEST 54: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
betale - engelsk - kommer - koster - leje - mere - morgen - penge - rask - rejse - sidst - stor - uge - vand - Åbn -

1. naar het buitenland gaan / naar het buitenland reizen > til udlandet
2. dat kost veel geld > det koster mange
3. De winter komt na de herfst. > Vinteren efter efteråret.
4. een glas water > et glas
5. herstellen > blive
6. Het is te groot / te klein. > Den er for / for lille.
7. Betaalt u nu of later? > Vil De / du nu eller senere?
8. Hier openen! > her!
9. hij kwam als laatste > han kom til
10. Zij verstaat heel weinig Engels. > Hun forstår kun lidt .
11. Ik wil graag een auto huren. > Jeg vil gerne en bil.
12. ongeveer een week > cirka en
13. Hoeveel kost een postzegel naar ... ? > Hvad et frimærke til ... ?
14. Komt u morgen bij me! > Kom i !
15. nooit meer > aldrig

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!