TEST 53: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Vil - dag - end - fjerne - gennem - god - kun - lille - mig - mod - natten - nogen - sjette - syg - vente -

1. U moet even wachten. / U zult moeten wachten. > De må .
2. na enige tijd > efter tid
3. Vandaag ga ik naar de markt. > I tager jeg på markedet.
4. dat is een goed idee > det er en ide
5. de nacht doorbrengen / overnachten > blive over / overnatte
6. De vierde. De vijfde. De zesde. > Den fjerde. Den femte. Den .
7. tegen de avond > aften / omkring aften
8. Het is warmer dan gisteren. > Det er varmere i går.
9. Betaalt u nu of later? > De / du betale nu eller senere?
10. hij is pas zeven jaar > han er 7 år gammel
11. Ik wil graag een kleintje pils / een groot glas bier. > Jeg vil gerne have en / stor øl.
12. in de verte > i det / langt væk
13. Hoe lang bent u al ziek? > Hvor lang tid har De / du været ?
14. door een rivier zwemmen > svømme en flod
15. Kunt u mij vertellen, waar de ambassade is? > Kan De / du fortælle , hvor ambassaden ligger?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!