TEST 52: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Det - Hvordan - alder - dobbelt - eftermiddag - end - fjerde - flittigt - gammel - gang - helpension - ligger - morgen - sommeren - stille -

1. Kan ik iedere morgen ontbijt krijgen? > Er det muligt at få morgenmad hver ?
2. Vanmiddag. Gisteravond. > I . I går aftes.
3. ze is achttien jaar oud > hun er atten år
4. de kamer kijkt uit op de tuin > værelset / vender ud mod haven
5. De vierde. De vijfde. De zesde. > Den . Den femte. Den sjette.
6. een keer per jaar / een keer in het jaar > en om året
7. Het is erg dringend. > haster meget.
8. Niet bewegen. > Stå .
9. Zij is ouder dan ze eruit ziet. > Hun er ældre, hun ser ud.
10. Ik wil graag volpension. > Jeg vil gerne have .
11. vlijtig werken > arbejde
12. in de zomer > om
13. Hoe is het weer vandaag? > er vejret i dag?
14. op vijftigjarige leeftijd > i en af 50 år
15. twee keer zo veel / twee maal zo veel > så meget

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!