TEST 37: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
alletiders - begive - bestilt - biografen - dig - dårligere - egne - flaske - går - hvilken - kørt - spille - studerer - temmelig - tid -

1. U bent de verkeerde straat in gereden. > De er ind i den forkerte gade.
2. tamelijk veel / nogal veel > meget
3. Vanavond zou ik graag naar de bioscoop willen gaan. > Jeg vil gerne i i aften.
4. Dat is geweldig! > Det er !
5. Neemt u rustig de tijd! > Giv dig god !
6. een fles wijn > en vin
7. met eigen ogen > med øjne
8. Ogenblikje. Ik kan U niet goed verstaan. > Et øjeblik. Jeg kan ikke høre .
9. hij studeert in Berlijn > han i Berlin
10. viool spelen > violin
11. gisteravond > i aftes
12. Ik heb een tafel gereserveerd. > Jeg har et bord.
13. Om welke reden? / Waarom? > Af grund?
14. op weg gaan > sig på vej
15. steeds slechter / steeds erger / van kwaad tot erger > stadig

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!