TEST 35: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Det - Hvad - blondt - dag - dusin - dårligt - engelsk - fuld - ligger - lille - rødvin - tage - taget - tysk - uret -

1. Wat drinkt u? / Wat wilt u drinken? > drikker De / du?
2. Dat is een geweldige verrassing. > er en vidunderlig overraskelse.
3. geboorteplaats en -datum > fødselssted og -
4. heel goed / tamelijk goed / niet slecht > ganske godt / temmelig godt / ikke
5. Een half dozijn is zes. > Et halvt er seks.
6. een kleine fout > en fejl
7. (geheel) gevuld met water > af vand
8. Zij heeft blond haar. > Hun har hår.
9. hij spreekt Engels > han kan tale
10. Ik heb medicijnen ingenomen. > Jeg har medicin.
11. Ik wil graag een zoete rode wijn. > Jeg vil gerne have sød .
12. foto's nemen / foto's maken > billeder
13. op zijn horloge kijken > se på
14. Duits spreken > tale
15. Kunt u mij vertellen, waar de ambassade is? > Kan De / du fortælle mig, hvor ambassaden ?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!