TEST 25: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Jordbær - Kom - atten - koppen - motorvejen - netop - også - over - par - skoene - såret - til - ved - værelset - Ønsker -

1. Mag ik de kamer zien? > Må jeg se ?
2. ze is achttien jaar oud > hun er år gammel
3. Je kunt trots op hem zijn! > Du burde være stolt ham.
4. een paar keer / een paar maal / enkele malen > et gange
5. Bent u gewond? > Er De / du ?
6. Deze kant op, alstublieft! > ind!
7. niet alleen ..., maar ook > ikke kun ..., men
8. zijn schoenen aantrekken > tage
9. Wilt u een klein of een groot glas bier? > De / du en stor eller lille øl? / Vil De / du have en stor eller lille øl?
10. Sinaasappels. Kersen. Frambozen. Aardbeien. > Appelsiner, Kirsebær. Hindbær. .
11. uit het kopje drinken > drikke af
12. Ik kwam toevallig hier langs. > Jeg gik forbi.
13. Ik weet niet of zij een zoon of een dochter heeft. > Jeg ikke, om hun har en søn eller en datter.
14. Hoe kom ik op de snelweg? > Hvordan kommer jeg til ?
15. Zullen we naar Rome of naar Parijs gaan? > Kører vi Rom eller Paris?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!