TEST 20: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Lev - begyndelsen - beklager - blandet - bogen - det - dette - drejer - gør - halv - mand - rejse - stadig - store - taxa -

1. Vaarwel! > vel! / Farvel!
2. Hallo, met wie spreek ik? > Hallo, hvem er ? / Hvem taler jeg med?
3. dat doet goed > det godt
4. Wat kost dat boek? > Hvad koster ?
5. een half uur > en time
6. het gaat om / het gaat over > det sig om / det handler om
7. Het spijt me, wij hebben geen kamer vrij. > Jeg , men vi har ingen ledige værelser.
8. Deze man is gewond. > Denne er såret.
9. Zij heeft een taxi gehuurd. > Hun hyrede en .
10. dit jaar > år
11. Ik hou erg veel van reizen. > Jeg holder virkelig meget af at .
12. Ik zou graag een gemengde salade zonder tomaten willen. > Jeg vil gerne have en salat uden tomater.
13. in het begin / aan het begin > i starten / i
14. steeds groter > større
15. even groot > lige

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!