TEST 1: Nederlands - Deens

Drag the word to the blank!
Hvid - Nummeret - Sikkert - anden - grund - håber - hundrede - koge - kvittering - lidt - mange - tres - tysker - ved - være -

1. Ja, zeker! > ! / Selvfølgelig!
2. daarom > af denne
3. Laat me met rust! > Lad mig i fred!
4. Mag ik een kwitantie? > Må jeg få en ?
5. de / het tweede > den
6. Veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig. > Fyrre, halvtreds, , halvfjerds, firs.
7. een ei koken / een eitje koken > et æg
8. Het nummer is in gesprek. > er optaget.
9. Hij heeft de Duitse nationaliteit. > Han er .
10. Ik hoop dat we elkaar weerzien. > Jeg vi ses igen.
11. Ik studeer nog. Ik studeer aan de universiteit. > Jeg studerer stadigvæk. Jeg studerer universitetet.
12. Blijf nog een poosje! / Blijf nog even! > Bliv længere!
13. Hoeveel keer? > Hvor gange?
14. honderden > af
15. Zwart. Rood. Blauw. Groen. Wit. > Sort. Rød. Blå. Grøn. .

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!