TEST 93: français - néerlandais
Drag the word to the blank!
Kunt - Van - bij - bladzijde - daarom - drink - erg - morgen - nemen - nog - precies - reserveren - televisie - tomaten - voel -
1. réserver trois places >
drie plaatsen
2. C’est très urgent. >
Het is
dringend.
3. par erreur / par mégarde / par inadvertance >
vergissing
4. Je ne me sens pas bien. / Je me sens mal. / Je vais mal. >
ik
mij niet goed
5. Je prendrai plutôt du café / Je préfère prendre du café. >
ik
liever koffie
6. De quel quai part le train ? >
welk perron vertrekt de trein?
7. Je voudrais une salade composée sans tomates. >
Ik zou graag een gemengde salade zonder
willen.
8. Venez me voir demain ! / Passez me voir demain ! >
Komt u
bij me!
9. Veuillez nettoyer mes chaussures. >
u mijn schoenen poetsen?
10. Il est 5 heures pile / précises. >
het is
vijf uur
11. un autre pain / encore un pain >
een brood
12. voir à la télévision >
op
zien
13. pour cette raison >
14. Nous en sommes à la page 5. >
wij zijn op pagina vijf / wij zijn op
vijf
15. prendre un bain >
een bad
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!