TEST 65: français - néerlandais

Drag the word to the blank!
Voor - aan - dag - dagen - eerste - fles - geduld - geluk - je - niet - ontvangen - toegedaan - uitzien - zin - zonder -

1. Ca ne sert à rien. > het heeft geen / het wordt niets / het wordt niks
2. Le chauffage ne marche pas. > De verwarming doet het .
3. le lendemain > de volgende
4. Je ne suis pas de cet avis. > ik ben een andere mening / ik heb een andere mening
5. ne pas avoir de chance > geen hebben
6. le premier / la première > de / het
7. Je voudrais une salade composée sans tomates. > Ik zou graag een gemengde salade tomaten willen.
8. il y a quelques jours / l’autre jour > een paar geleden
9. une bouteille de vin > een wijn
10. Pourquoi pleurez-vous ? > Waarom huil ?
11. Nous avons bien reçu votre livraison. > Wij hebben uw zending .
12. Du calme ! / On se calme ! > Rustig aan! / Kalm !
13. Jusqu’à quand ? / Jusqu’à quelle heure ? > Tot wanneer? / wanneer?
14. avoir de la patience > hebben
15. avoir mauvaise mine > er slecht

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!