Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 37: français - néerlandais
Geachte - eind - ernstig - eten - gaat - goed - graag - lente - loopt - manier - nul - reizen - sigaret - verkeren - ziet -
1. J’aime vraiment beaucoup voyager. >
Ik hou erg veel van
.
2. Ma montre est à l’heure. >
mijn horloge
goed
3. De quelle manière / façon ? >
Op wat voor manier? / Op welke
?
4. Le repas est froid. >
Het
is koud.
5. Je vais un peu mieux. >
het
een beetje beter / ik voel me een beetje beter
6. Je voudrais une salade composée sans tomates. >
Ik zou
een gemengde salade zonder tomaten willen.
7. être en bonne santé >
gezond zijn / in goede gezondheid
8. fin mai >
mei
9. Elle est plus vieille qu’elle en a l’air. >
Zij is ouder dan ze eruit
.
10. Bonjour, vous avez bien dormi ? >
Goedemorgen, hebt U
geslapen?
11. Monsieur, >
Waarde X! / Beste meneer X, /
heer X,
12. gravement malade >
ziek
13. au printemps >
in de
14. au-dessous de zéro >
onder
15. fumer une cigarette >
een
roken
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: