Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 31: français - néerlandais
Zou - draaien - gekomen - gereserveerd - heen - kan - overhemd - precies - smaakt - stuk - vakantie - verdienen - vijftig - vraag - weer -
1. J’ai une réservation. >
Ik heb een kamer
.
2. J’aimerais bien acheter une chemise. >
Ik zou graag een
willen kopen.
3. C’est sucré. / Cela a un goût sucré. >
het
zoet
4. Où puis-je trouver un taxi ? >
Waar
ik een taxi krijgen?
5. gagner de l’argent >
geld
6. à midi pile / à 12 heures pile / à 12 heures précises >
klokslag twaalf / klokslag twaalf uur / twaalf uur
7. par mauvais temps / en cas de mauvais temps >
bij slecht
8. partir en vacances >
op
gaan
9. je me demande pourquoi >
ik
me af waarom
10. Veux-tu me rendre un service ? >
je iets voor mij willen doen?
11. Il passa / est passé devant moi. >
hij liep langs mij
/ hij lette niet op mij
12. un bout de papier / un morceau de papier >
een
papier
13. Un cirque est arrivé en ville. >
Er is een circus in de stad
.
14. composer le numéro >
een nummer
15. Quarante, cinquante, soixante, soixante-dix, quatre-vingts. >
Veertig,
, zestig, zeventig, tachtig.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: