Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 11: français - néerlandais
Doe - Rustig - alles - eerste - gaan - groot - half - iets - loopt - maken - niemand - niets - praten - weet - werkt -
1. J’aimerais sortir avec vous un soir. >
Ik zou U graag een avond willen uitnodigen om ergens heen te
.
2. C’est tout. / Voilà tout. >
dat is
/ dat was het
3. La montre n’est pas à l’heure. >
het horloge
niet goed
4. parler bas / à voix basse >
zacht
/ zacht spreken
5. Je n’en sais rien. >
daar
ik niets van
6. le premier du mois >
op de
van de maand
7. rendre heureux >
gelukkig
8. Veux-tu me rendre un service ? >
Zou je
voor mij willen doen?
9. rien d’important / pas grand-chose >
belangrijks
10. six mois >
een
jaar
11. Il n’y a personne. >
er is
12. Il travaille toute la journée. >
hij
de hele dag
13. Eteins la radio ! >
de radio uit!
14. Du calme ! / On se calme ! >
aan! / Kalm aan!
15. Qu’il est grand ! / Comme il est grand ! >
Wat is hij
!
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: