TEST 11: français - néerlandais

Drag the word to the blank!
Doe - Rustig - alles - eerste - gaan - groot - half - iets - loopt - maken - niemand - niets - praten - weet - werkt -

1. J’aimerais sortir avec vous un soir. > Ik zou U graag een avond willen uitnodigen om ergens heen te .
2. C’est tout. / Voilà tout. > dat is / dat was het
3. La montre n’est pas à l’heure. > het horloge niet goed
4. parler bas / à voix basse > zacht / zacht spreken
5. Je n’en sais rien. > daar ik niets van
6. le premier du mois > op de van de maand
7. rendre heureux > gelukkig
8. Veux-tu me rendre un service ? > Zou je voor mij willen doen?
9. rien d’important / pas grand-chose > belangrijks
10. six mois > een jaar
11. Il n’y a personne. > er is
12. Il travaille toute la journée. > hij de hele dag
13. Eteins la radio ! > de radio uit!
14. Du calme ! / On se calme ! > aan! / Kalm aan!
15. Qu’il est grand ! / Comme il est grand ! > Wat is hij !

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!