Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 10: français - néerlandais
Bruin - Hallo - bekend - doen - enige - geopend - gevuld - handschoenen - jarig - kamers - moet - spijt - wagen - wandeling - willen -
1. faire plaisir à quelqu’un >
iemand een plezier
2. faire une promenade >
een
maken
3. garer sa voiture >
zijn auto parkeren / zijn
parkeren
4. Marron. Rose. Violet. Jaune. >
. Roze. Paars. Geel.
5. Je regrette, nous n’avons plus de chambres libres. >
Het
me, wij hebben geen kamer vrij.
6. Je voudrais une salade composée sans tomates. >
Ik zou graag een gemengde salade zonder tomaten
.
7. Les chambres étaient mal nettoyées. >
De
werden niet goed schoongemaakt.
8. Il faut que j’y aille. / Il faut que je m’en aille. >
ik
weg
9. plein d’eau / rempli d’eau / gorgé d’eau >
(geheel)
met water
10. Allô, qui est-ce ? / Qui est à l’appareil / au bout du fil ? >
, met wie spreek ik?
11. on sait que >
het is algemeen
dat
12. une paire de gants >
een paar
13. Mon anniversaire est le 30 juillet. >
Op 30 juli ben ik
.
14. au bout d’un certain temps / quelques temps après >
na
tijd
15. ouvert de ... à ... >
van ... tot ...
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: